JURISPRUDENTIE CASES

Jurisprudentie Cases

Dit artikel biedt een selectie van (uittreksels van) nationale rechterlijke uitspraken op het gebied van verzekeringen. In dit geval worden cases van schadeverzekeringen, de zorgplicht en het KIFID behandeld.

Inhoudsopgave:
Case 1: Geen plotseling optredend defect
Case 2: Geleidelijk proces
Case 3: Eigen bedrijf aansprakelijk gesteld
Case 4: Bemiddeling via beursmakelaar

 

Geen plotseling optredend defect

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening d.d. 28 februari 2014, nr. 2014-107

Consument heeft bij Aangeslotene een opstalverzekering afgesloten voor haar woonhuis, waarin zich op de begane grond een zwembad bevond. In de voorwaarden is onder meer bepaald dat gedekt is schade als gevolg van water dat onvoorzien gestroomd of overgelopen is uit leidingen, toestellen en sanitair, als gevolg van een plotseling optredend defect.
Op enig moment is waterschade in de kelder van het woonhuis ontstaan, waarna Consument vergoeding vordert van de daardoor ontstane schade. In overleg met Consument heeft Aangeslotene een expert opdracht gegeven onderzoek te doen naar de oorzaak en omvang van de schade. Deze heeft geconstateerd dat de hoofdoorzaak van de schade gelegen is in een ontwerpfout van de pompinstallatie van het zwembad door de onderaannemer en meer in het bijzonder een niet-waterdichte pvc-verbinding. Ook de verzekeraar van de aannemer heeft onderzoek naar de oorzaak van de schade gedaan. Deze heeft de niet-waterdichte pvc-verbinding niet als (hoofd)oorzaak genoemd.
Partijen verschillen van mening over de oorzaak van de schade. De Commissie stelt vast dat Aangeslotene en Consument overeenstemming hebben bereikt over het inschakelen van een expert om de oorzaak en omvang van de schade vast te stellen. Bij het beoordelen van de dekking dient dit expertiserapport dus als uitgangspunt te gelden. In tegenstelling tot wat Consument stelt, kan het in opdracht van de verzekeraar van de aannemer opgestelde rapport niet als een contra-expertise worden beschouwd.
Als door Aangeslotene gesteld en door Consument niet weersproken, neemt de Commissie aan dat het aan het licht komen van een fout van de aannemer, waarvan in dit geval sprake is, niet kan worden aangemerkt als een plotseling optredend defect. Ook overigens is niet gebleken dat het lek in de pvc-verbinding een plotseling opgetreden defect is. Dit brengt met zich dat de door Consument geleden schade aan het woonhuis niet het gevolg is van een onder de verzekering gedekte gebeurtenis. De vordering van Consument wordt als binden advies, afgewezen.

 

Geleidelijk proces

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening d.d. 12 mei 2014, nr. 2014-190

Consument heeft bij Aangeslotene een opstalverzekering afgesloten voor zijn woonhuis, waarbij op het dak een verwarmingssysteem is aangebracht voor het inpandige zwembad.
In de voorwaarden is onder meer bepaald dat van dekking is uitgesloten schade als gevolg van een gebeurtenis die niet onvoorzien, plotseling en/of onverwacht op de verzekerde zaken inwerkt, maar die geleidelijk is ontstaan.
Op enig moment heeft consument waterschade aan de plafonds van zijn woning vastgesteld. De expert van Aangeslotene heeft als oorzaak condensatie net boven de plafondplaten vastgesteld. De contra-expert van Consument heeft vastgesteld dat de zonnecollectoren op het dak door windkracht zijn losgerukt, hetgeen de dakbedekking heeft beschadigd, waardoor deze aan waterdichtheid heeft verloren.
De commissie stelt voorop dat op grond van art. 149 en 150Rv op Consument de bewijslast rust dat er sprake is geweest van een onvoorziene, plotselinge en onverwachte gebeurtenis. Volgens de Commissie heeft de contraexpert weliswaar geschreven dat de zonnecollectoren door windracht zijn losgerukt en dat dit is gebeurd door extreme windsnelheden c.q. stormwindvlagen, maar uit zijn rapport volgt onmiskenbaar dat dit pas is gebeurd nadat het systeem door geleidelijke inwerking van meerdere oorzaken (warmte-invloeden,  werking van het dak, werking van het systeem, vorst en wind) steeds vatbaarder is geworden voor windvang. Aldus is sprake geweest van een geleidelijk proces als bedoeld in de dekkingsuitsluiting, waarvan het losrukken door de wind slechts het slotstuk is geweest. De vordering van Consument wordt, als bindend advies, afgewezen.

 

Eigen bedrijf aansprakelijk gesteld

Gerechtshof Amsterdam Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, 6 augustus 2013 ECLI:NL:GHARL:2013:5865, VR 2014/44, JA 2014/157

Het zal je maar overkomen: ben je aan het werk in je eigen bedrijf en word je door je eigen vorkheftruck aangereden. Het overkwam de onfortuinlijke heer C. Hij was de directeur/grootaandeelhouder van A B.V. Op 4 januari 2010 is hij gewond geraakt doordat hij tijdens de uitoefening van werkzaamheden in de fabriek van A B.V. bekneld is geraakt tussen de heftruck en de zich daarachter bevindende opslagtank. Het bijzondere was dat de vorkheftruck onbemand was ten tijde van het ongeval.
A B.V. heeft haar wettelijke aansprakelijkheid voor ongevallen met haar vorkheftrucks verzekerd bij B. C heeft bij de rechtbank een verklaring van recht gevorderd dat A B.V. aansprakelijk is voor het ongeval en de daardoor veroorzaakte materiële en immateriële schade. De rechtbank heeft geoordeeld dat A B.V. en daarmee haar verzekeraar B. gehouden is om 75 procent van de schade te vergoeden. C had zijn vordering gebaseerd op art. 6:181 BW.
In art. 6:173 BW is bepaald dat de bezitter van een roerende zaak aansprakelijk is wanneer de roerende zaak schade toebrengt aan zaken of personen. Dit is een risicoaansprakelijkheid, dus een aansprakelijkheid zonder dat er aan de bezitter een verwijt kan worden gemaakt. Voorwaarde is wel dat er sprake moet zijn van een bijzonder gevaar dat deze schade veroorzaakt. Voorwaarde is tevens dat de roerende zaak niet voldoet aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden daar aan mag stellen. Deze risicoaansprakelijkheid is er niet als er geen aansprakelijkheid zou zijn op grand van onrechtmatige daad, hoewel de bezitter het bijzondere gevaar op het tijdstip van het ontstaan daarvan zou hebben gekend. Dit heeft de wetgever in een tenzij-formule verwoord.
In art. 6:181 BW is bepaald dat de risicoaansprakelijkheid van art. 6:173 (en van art. 6:174 (voor opstallen) en art 6:179 (voor dieren) BW) rust op degene die dit bedrijfsmatig gebruikt, in dit geval dus A B.V.
A B.V. (lees: haar verzekeraar B) ging van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep. Als eerste grief voerde A B.V. aan dat de rechtbank ten onrechte C in de verhouding tot A B.V. als een derde had aangemerkt, waardoor C beroep kon doen op art. 6:173 BW. A B.V. vond dat nu C haar enig aandeelhouder was en eigenaar van A B.V. was, hij met A B.V. vereenzelvigd moest worden.
Het hof ging daar niet in mee. Het hof hield vast aan de (juridische) werkelijkheid. Het slachtoffer C en de aansprakelijke (rechts) persoon A B.V. kunnen niet als dezelfde personen worden gezien. Het is ook niet C die het bedrijf van A B.V. uitoefent, dat is A B.V. zelf. De zeggenschap van C binnen A B.V. en het indirecte profijt dat C bij de bedrijfsuitoefening van A B.V. heeft, maken dat niet anders vond het hof.
Zoals hiervoor al opgemerkt was de vorkheftruck onbemand tijdens het ongeluk. Er was sprake van een spontaan achteruit rijden door de vorkheftruck, aldus C. C was kort nadien ter plaatse aangetroffen door twee medewerkers van A B.V. A B.V. had nog aangevoerd dat C over de exacte toedracht van het ongeval niet op alle onderdelen eensluidende verklaringen had afgelegd, maar dat weerhield het hof niet ervan te concluderen dat de heftruck uit zichzelf moet zijn gaan rijden. Een andere verklaring voor het feit dat C bekneld is geraakt achter de heftruck vond het hof moeilijk denkbaar en was ook niet door A B.V. gesteld.
Het hof stelde vervolgens dat hiermee nog niet de vraag is beantwoord hoe het heeft kunnen gebeuren dat de heftruck uit zichzelf is gaan rijden. A B.V. had betwist dat de heftruck door een gebrek aan de heftruck was gaan rijden. Het hof neemt daarop achtereenvolgens de verschillende in de heftruck ingebouwde veiligheden door en kwam tot de volgende conclusie. Gebleken was dat de heftruck tot december 2009 goed functioneerde. Dit laat de mogelijkheid open dat op 4 januari 2010 ten tijde van het ongeval de veiligheden niet meer goed functioneerden. Nu vaststaat dat C ten tijde van het ongeval de enige persoon in de nabijheid van de truck was en vaststaat dat hij zich achter en dus niet op de truck bevond, kan bezwaarlijk anders worden geconcludeerd dat dat de heftruck is gaan rijden doordat de veiligheden op dat moment niet meer goed functioneerden. Dat was overigens ook de conclusie van het door A B.V. (!) overgelegde expertiserapport. Het hof concludeert dan dat er sprake is van een gebrek als bedoeld in art. 6:173 BW.
A B.V. beriep zich op de hiervoor vermelde tenzij-clausule in art. 6:173 BW. Volgens A B.V. was er sprake van een acuut optredend gebrek. Daardoor was er voor haar geen tijd meer geweest om het gebrek te verhelpen en schade te voorkomen. Het hof volgde die stelling niet omdat nu tot 9 december 2009 de heftruck wel goed functioneerde, de veiligheden tot die datum dus goed functioneerden. Ergens in de periode tussen 9 december 2009 en 4 januari 2010 moet dan het gebrek zijn ontstaan, aldus het hof. Dat het gebrek zich eerst op 4 januari manifesteerde, wil nog niet zeggen dat het gebrek pas toen is ontstaan.
A B.V. stelde ook dat zij niet in de gelegenheid was geweest de heftruck te onderzoeken. Ook dit batte haar niet, want de heftruck bleek nog ruim acht maanden beschikbaar te zijn geweest, waarbij C op 30 augustus 2010 A B.V. uitdrukkelijk had aangeboden de heftruck te onderzoeken en in verband met voorgenomen verkoop daarvoor een termijn had geboden, welke A B.V. onbenut had gelaten.
A B.V. stelde eigen schuld van C. Hij had de handrem niet aangetrokken en het contact in de stand ‘aan’ gezet. Dat vond het hof niet toerekenbaar in het kader van de door C voorgenomen inspectie waarom de heftruck niet meer functioneerde. Het hof veroordeelde A B.V. tot volledige vergoeding van de schade van C.
Door: Mr. R. Meelker

 

Bemiddeling via beursmakelaar

Rechtbank Rotterdam 12 maart 2014 ECLI:NL:RBROT:2014:2862

In deze zaak is sprake van een verzekering waarbij twee bemiddelaars zijn betrokken. De verzekering is tot stand gekomen door bemiddeling van een beursmakelaar. Deze makelaar handelde in opdracht van een verzekeringstussenpersoon, die op zijn beurt handelde in opdracht van twee verzekeringsnemers. De rechtsvraag die de rechtbank moet beantwoorden is of deze bemiddelaars bij de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst de zorgvuldigheid van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot in acht hebben genomen. Het antwoord op deze vraag schept duidelijkheid over de regelmatig voorkomende situatie dat een provinciale verzekeringstussenpersoon gebruikmaakt van de diensten van een placing broker. In Wft-termen: wanneer bij het tot stand brengen van een overeenkomst van verzekering een bemiddelaar én een onderbemiddelaar zijn betrokken. Deze uitspraak is bovendien van belang vanwege de duidelijke omschrijving die de rechtbank geeft van de taken van een beursmakelaar.

De feiten

Er is sprake van twee verzekeringnemers. De ene huurt een bedrijfsruimte en heeft daarin een meubelstoffeerderij en de andere slaat daarin zijn handelsvoorraad op. De door tussenkomst van de verzekeringstussenpersoon tot stand gekomen verzekering dekt het risico van brandschade aan de meubelstoffeerderij en de handelsvoorraad.
Aanvankelijk was Zurich Schadeverzekeringen de verzekeraar. In 2000 vindt een risico-inventarisatie plaats door Zurich Risk Engineering. De bevindingen hiervan zijn neergelegd in een rapport van 12 juli 2000. Ter verbetering van het beveiligingsniveau tegen inbraak, diefstal en brandstichting wordt het nemen van een aantal preventiemaatregelen voorgeschreven. Deze maatregelen moesten binnen vijf maanden na dagtekening zijn getroffen. Beide verzekeringsnemers hebben dit nagelaten.
Medio 2000 geeft Zurich aan e verzekeringstussenpersoon te kennen de verzekering per 1 januari 2001 te willen beëindigen. De verzekeringstussenpersoon informeert de beide verzekeringnemers hierover niet. Bij faxbericht van 20 december 2000 verzoekt hij de beursmakelaar – buiten medeweten van de verzekeringsnemers om – om de risico’s per 1 januari 2001 op de beurs te verzekeren. De beursmakelaar slaagt daarin: de risico’s worden ondergebracht bij verschillende verzekeraars, onder wie Delta Lloyd. De verzekering is geaccepteerd onder het voorbehoud dat er sprake is van een adequate inbraakbeveiliging en dat een door een technisch adviseur van verzekeraars te verrichten inspectie geen aanleiding geeft tot het stellen van aanvullende voorwaarden.
Bij brief van 27 december 2000 stuurt de beursmakelaar een dekkingsbevestiging naar de verzekeringstussenpersoon. Daarin staat onder andere: ‘Deze verzekering is door verzekeraars geaccepteerd onder voorbehoud dat de diverse vestigingen ten minste zijn voorzien van adequate inbraakbeveiliging met rechtstreekse doormelding naar een Particulier Alarm Centrale’. De verzekeringsnemers hebben deze dekkingsbevestiging niet ontvangen. De beursmakelaar maakt namens Delta Lloyd de polis op en in het clausuleblad neemt hij het voorbehoud op dat de bedrijfsruimte ten minste moet zijn voorzien van adequate inbraakbeveiliging. Vervolgens stuurt hij de polis naar de verzekeringstussenpersoon. Deze stuurt de polis eerst bij brief van 8 juni 2001 toe aan de verzekeringsnemers. De verzekering wordt per 1 maart 2001 gesplitst: iedere verzekeringnemer krijgt zijn eigen polis.

Brand

In de nacht van 6 op7 januari 2002 wordt de bedrijfsruimte getroffen door een brand. Het gebouw en de aanwezige inventaris en handelsvoorraad gaan geheel verloren. De totale schade van beide verzekerden wordt door schade-experts begroot op een bedrag van 546.510 euro. Delta Lloyd wijst de schade af, omdat de bedrijfsruimte ten tijde van de brand niet was voorzien van de vereiste adequate inbraakbeveiliging. In de door hen aangespannen rechtszaak kregen beide verzekerden gedeeltelijk gelijk, maar in hoger beroep werd dit voor hen gunstige vonnis vernietigd. Tegen deze uitspraak van het gerechtshof hebben zij geen cassatie ingesteld.
Beide verzekeringnemers spannen een geding aan tegen de verzekeringstussenpersoon en de beursmakelaar. Zij vorderen een verklaring voor recht dat deze toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen en/of jegens hen onrechtmatig hebben gehandeld, alsmede dat beursmakelaar en de verzekeringstussenpersoon zich hun belangen onvoldoende hebben aangetrokken en niet hebben gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht en dat de beursmakelaar en de verzekeringstussenpersoon uit dien hoofde aansprakelijk zijn voor de door hen geleden en nog te lijden schade. Voorts vorderen zij dat de beursmakelaar en de verzekeringstussenpersoon worden veroordeeld tot het vergoeden van de geleden schade, inclusief wettelijke rente, en de gemaakte buitengerechtelijke kosten.
De rechtbank stelt vast dat er een aantal vragen aan de orde zijn:
♦  Heeft de verzekeringstussenpersoon bij de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomsten zijn zorgplicht jegens de verzekeringnemers geschonden?
 Heeft de beursmakelaar bij de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomsten zijn zorgplicht jegens de verzekeringstussenpersoon en aldus (tevens) onrechtmatig gehandeld jegens de verzekeringnemers?
Ik beperk mij tot het antwoord van de rechtbank op de twee vragen. 

Zorgplicht verzekeringstussenpersoon

De rechtsverhouding tussen de verzekeringstussenpersoon en de verzekeringsnemers moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht. Bijgevolg rust op de verzekeringstussenpersoon een zorgplicht. Tegenover zijn opdrachtgever, in dit geval de beide verzekeringnemers, moet hij de zorg betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend verzekeringstussenpersoon mag worden verwacht. De reikwijdte van deze zorgplicht is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, met name van de aard en inhoud van de opdracht en de belangen van de opdrachtgever voor zover kenbaar voor de tussenpersoon. Deze zorgplicht vergt een actieve en voortdurende bemoeienis met alle tot zijn portefeuille behorende verzekeringen teneinde te bewerkstelligen dat de belangen van zijn opdrachtgever ter zake van elk van die verzekeringen steeds adequaat zijn gediend. Het is zijn taak de verzekeringnemer tijdig opmerkzaam te maken op de gevolgen die hem bekend geworden feiten voor de dekking van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen kunnen hebben. Dit brengt mee dat hij erop moet toezien dat aan de verzekeringnemer tijdig wordt doorgegeven dat zich een situatie voordoet waarvan hij als redelijk bekwaam en redelijk handelend tussenpersoon behoort te begrijpen dat die de verzekeraar aanleiding zou kunnen geven om een beroep te doen op het in de polis opgenomen voorbehoud van adequate inbraakbeveiliging. In dat verband mag van de verzekeringstussenpersoon worden verwacht dat, indien hij niet over voldoende gegevens beschikt of hij niet ervan mag uitgaan dat de gegevens waarover hij beschikt volledig en juist zijn, hij daarnaar informeert. Dat geldt zowel in zijn verhouding tot zijn verzekeringnemers als in de zijn relatie tot de beursmakelaar.
De verzekeringstussenpersoon heeft, aldus de rechtbank, in ieder geval bij ontvangst van de polis kennis genomen van het voorbehoud van adequate inbraakbeveiliging. Het moet voor hem dan ook duidelijk zijn geweest dat het voldoen aan de door Delta Lloyd gesteld preventieve voorwaarde essentieel was voor het al dan niet hebben van dekking. Hij was bekend met de feitelijke situatie in de bedrijfsruimte én van de inhoud van het rapport van de risico-inventarisatie. Onder die omstandigheden had de verzekeringstussenpersoon moeten nagaan wat door Delta Lloyd werd verstaan onder de term ‘adequate inbraakbeveiliging’. Indien hij niet over voldoende gegevens beschikte of twijfelde of de gegevens waarover hij beschikte volledig en juist waren, had hij een actieve opstelling moeten innemen en navraag moet doen bij de verzekeringsnemers en/of de beursmakelaar. Dat alles heeft hij niet gedaan. Aldus , zo concludeert de rechtbank, heeft de verzekeringstussenpersoon zijn zorgplicht jegens de verzekeringnemers geschonden, zodat hij in beginsel aansprakelijk is voor de door deze als gevolg daarvan geleden schade.

Zorgplicht beursmakelaar

Ook de rechtsverhouding tussen de verzekeringstussenpersoon en de beursmakelaar moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst van opdracht, waardoor op de beursmakelaar een zorgplicht rust. De eerste vraag die in dit verband moet worden beantwoord is of de beursmakelaar zich jegens de verzekeringstussenpersoon naar behoren van deze zorgplicht heeft gekweten. De rechtbank stelt vast welke de taken van een beursmakelaar zijn (zie toelichting) en beantwoordt deze vraag vervolgens ontkennend. Zij overweegt daarbij dat de beursmakelaar een dekkingsbevestiging heeft afgegeven met het voorbehoud dat er adequate inbraakbeveiliging (met rechtstreekse doormelding naar een particuliere alarmcentrale) aanwezig moest zijn. In het door hem opgemaakte polisaanhangsel is eveneens opgenomen dat er een adequate inbraakbeveiliging diende te zijn, zonder dat de beursmakelaar op wie terzake de verantwoordelijkheid rustte, heeft uitgewerkt wat hieronder in het geval van verzekeringnemers dient te worden verstaan. Hoewel op hem de verantwoordelijkheid rustte om nader uit te werken wat onder adequate inbraakbeveiliging diende te worden verstaan, heeft de beursmakelaar dit verzuimd. Aldus heeft hij zijn zorgplicht als beursmakelaar jegens de verzekeringstussenpersoon geschonden. Immers, hij heeft geen informatie verschaft aan de verzekeringstussenpersoon daar waar hij dat wel had behoren te doen.
De beursmakelaar mocht er niet van uitgaan dat de verzekeringstussenpersoon, die geen beursmakelaar is, op dit punt over dezelfde kennis beschikte als hij. Voor de verzekeringstussenpersoon was de beursmakelaar de partij van wie hij informatie mocht verwachten. De beursmakelaar was ervan op de hoogte dat de vraag welke inbraakbeveiliging adequaat is afhankelijk was van een risicobeoordeling op basis van BORG-normen en/of risicoklassenindeling. Hij had de verzekeringstussenpersoon hierover moeten informeren, zodat deze op zijn beurt de verzekeringnemers hierover kon berichten. Dit geldt te meer nu het voorbehoud is aan te merken als een garantiebeding, dat de verantwoordelijkheid voor de nakoming ervan bij de verzekerde legt. Het moet voor de beursmakelaar duidelijk zijn geweest dat het voldoen aan deze garantieclausule essentieel was voor het al dan niet hebben van dekking.
Het enkele feit dat de verzekeringstussenpersoon zijn onderzoekplicht naar bepaalde relevante gegevens heeft verzaakt, sluit niet uit dat de beursmakelaar ten aanzien van diezelfde gegevens (ook) een mededelingsplicht heeft. Het verweer van de beursmakelaar dat hij van de verzekeringstussenpersoon onvoldoende informatie heeft om het ontbreken van dekking te voorkomen, faalt. Deze eventuele informatieplicht staat namelijk los van zijn plicht om een adequate verzekering te realiseren.
Of deze schending van de zorgplicht door de beursmakelaar tevens een onrechtmatige daad ten opzichte van de verzekeringnemers oplevert, is de volgende vraag die moet worden beantwoord. De rechtbank stelt voorop dat een partij die wanprestatie pleegt, in de regel daardoor niet onrechtmatig handelt jegens een derde die daardoor schade lijdt. De wanpresterende partij is in beginsel alleen tegenover zijn wederpartij aansprakelijk. Dat is anders wanneer iemand zich contractueel heeft gebonden en de contractuele verhouding waarbij hij partij is in het rechtsverkeer een schakel is gaan vormen waarmee de belangen van derden die aan dit verkeer deelnemen, in allerlei vormen kunnen worden verbonden. In dat geval staat het hem niet onder alle omstandigheden vrij de belangen te verwaarlozen die derden bij de behoorlijke nakoming van het contract kunnen hebben.
De rechtbank gaat uitvoerig in op de omstandigheden die een rol spelen bij de beoordeling van de vraag of de beursmakelaar door zijn wanprestatie jegens de verzekeringstussenpersoon tevens onrechtmatig handelde jegens de verzekeringnemers. Zij beantwoordt deze vraag bevestigend. De rechtbank komt tot de slotsom dat de beursmakelaar in beginsel aansprakelijk is voor de schade die de verzekeringnemers hebben geleden als gevolg van diens niet-nakomen van zijn zorgplicht.

Toelichting

Tot de taken van de beursmakelaar behoort het onderbrengen van verzekeringen bij verzekeraars en het zorgen voor de continuering van die verzekeringen. In dat kader mag van de beursmakelaar worden verwacht dat hij erop toeziet, dat de desbetreffende verzekeringen in beginsel de daarmee beoogde dekking (blijven) bieden. Het ligt derhalve op de weg van de makelaar om de voorwaarden waaronder zij de verzekering bij verzekeraars poogt onder te brengen te (doen) toetsen, in die zin dat de makelaar zich (via de tussenpersoon) laat voorzien van de benodigde gegevens om invulling te (kunnen) geven aan het voorbehoud. Daarnaast ligt het op de weg van de makelaar zijn opdrachtgever op de risico’s te wijzen en aanbevelingen te doen zodat die risico’s kunnen worden verkleind. Het is de taak van de makelaar om zijn opdrachtgever in voldoende mate te informeren over onder meer het karakter van de polis en de voorwaarden. De makelaar dient zich ervan te vergewissen of zijn opdrachtgever daarmee voldoende bekend is en of aan de gestelde voorwaarden is voldaan. Bijzondere aandacht door de makelaar is onder meer vereist wanneer een verzekering bij een nieuwe verzekeraar wordt ondergebracht, zeker wanneer een verzekering overgaat van één verzekeringsmaatschappij naar een verzekering in co-assurantie. Door: Mr. dr. Cees J. de Jong

Dit artikel is afkomstig uit de Beursbengel, een toonaangevend verzekeringstechnisch vakblad voor de verzekeringsprofessional. De Beursbengel is een uitgave van NIBE-SVV, gerenommeerd opleidingsinstituut voor het bank-, verzekerings- en effectenbedrijf.
Terug naar boven

 

Heeft u vragen, wilt u meer informatie of advies? Neem contact met ons op of laat uw gegevens achter en wij bellen u zo spoedig mogelijk terug.

► Stopel op Facebook
► Stopel op Twitter

“Kwaliteit is een keuze!”

/sites/default/files/images/agness.jpg
/sites/default/files/images/albertje.jpg
/sites/default/files/images/arjan.jpg
/sites/default/files/images/ellen2.jpg
/sites/default/files/images/dian.jpg
/sites/default/files/images/esther.jpg
/sites/default/files/images/frank.jpg
/sites/default/files/images/gerdia.jpg
/sites/default/files/images/gertjan.jpg
/sites/default/files/images/jaque.jpg
/sites/default/files/images/ronald.jpg
/sites/default/files/images/ronny.jpg
/sites/default/files/images/sylvia.jpg
/sites/default/files/images/tony.jpg
/sites/default/files/images/jon2.jpg
/sites/default/files/images/henri.jpg
/sites/default/files/images/veronique.jpg