JURISPRUDENTIE CASES

Jurisprudientie Cases

Dit artikel biedt een selectie van (uittreksels van) nationale rechterlijke uitspraken op het gebied van verzekeringen. In dit geval worden cases van schadeverzekeringen, de zorgplicht en transport behandeld.

Inhoudsopgave:
Case 1: Verzwegen veroordeling
Case 2: Van de wal in de sloot
Case 3: Gekantelde trekker
Case 4: Macht der gewoonte
Case 5: Criminele oplichtingstruc

 

Verzwegen veroordeling

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 februari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:1150. 
Verzekeringnemer laat door tussenkomst van zijn verzekeringstussenpersoon twee auto’s verzekeren. Een Volkswagen en een Mercedes. Voorafgaand aan het sluiten van de verzekering voor de Volkswagen laat hij een medewerker van zijn verzekeringstussenpersoon telefonisch weten dat hij in het verleden problemen heeft gehad met een verzekering vanwege zijn strafrechtelijke verleden. Hij zei dat hij als portier in aanraking was geweest met Justitie in verband met vechtpartijen, maar dat hij nimmer was veroordeeld.

De vraag over het strafrechtelijk verleden op het door hem ondertekende aanvraagformulier vulde verzekeringnemer niet in, waarna de medewerker hem telefonisch naar de reden daarvan vroeg. Verzekeringnemer wees erop dat hij zijn strafrechtelijke verleden in het eerdere telefoongesprek al had gemeld. Na overleg met de gevolmachtigd agent van de verzekeraar heeft de medewerker op het aanvraagformulier bij het onderdeel betreffende het strafrechtelijke verleden vermeld: ‘is bekend’.

Verzekeringnemer heeft vervolgens ook zijn Mercedes door tussenkomst van zijn verzekeringstussenpersoon laten verzekeren, onder andere tegen diefstal. De medewerker van de verzekeringstussenpersoon maakte bij het invullen van het aanvraagformulier gebruik van de gegevens op het aanvraagformulier voor de Volkswagen. Bij het onderdeel over strafrechtelijke antecedenten heeft hij wederom vermeld: ‘is bekend’. Verzekeringnemer heeft vervolgens het hem toegezonden aanvraagformulier ondertekend. De Mercedes wordt gestolen. Naar aanleiding van de aangifte van diefstal stelt de verzekeraar een onderzoek in naar de schade en de strafrechtelijke antecedenten van verzekeringnemer. Hij stelt vast dat verzekeringnemer voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst niet zijn volledige strafrechtelijke verleden heeft gemeld en opzettelijk heeft verzwegen dat hij is veroordeeld voor vermogensdelicten. De schade wordt niet vergoed en de verzekering wordt geroyeerd.

Verzekeringnemer spant een geding aan tegen zijn verzekeringstussenpersoon. Hij stelt een verzekering voor de Mercedes te hebben gesloten met zijn verzekeringstussenpersoon en dat deze daarbij op eigen naam en voor eigen rekening handelde, zodat deze hem de diefstalschade moest vergoeden. Verzekeringnemer voert daarbij aan dat zijn verzekeringstussenpersoon niet heeft voldaan aan de ingevolge art. 7:928 BW op een verzekeraar rustende verplichting om in niet voor misverstand vatbare termen te informeren naar zijn strafrechtelijke verleden. Verder stelt hij dat zijn verzekeringstussenpersoon niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van hem mocht worden verwacht, zodat de verzekering die was geaccepteerd nadien is beëindigd, waardoor verzekeringnemer schade heeft geleden. De verzekeringstussenpersoon verweert zich met de stelling dat hij enkel heeft gemiddeld. Verzekeringnemer heeft zijn medewerker, aldus de verzekeringstussenpersoon, uit eigen beweging medegedeeld dat hij als portier in aanraking wa gekomen met Justitie in verband met vechtpartijen, maar nimmer was veroordeeld. Voor de verzekeringstussenpersoon was er geen reden te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van deze informatie en hij heeft deze doorgegeven aan de (gevolmachtigd agent van de) verzekeraar. Daarmee heeft hij gedaan wat van een redelijk bekwaam en redelijk handelend verzekeringstussenpersoon mag worden verwacht. 

Verzekeringnemer vordert vergoeding van de geleden schade, maar de rechtbank wijst deze vordering af. Zij overweegt dat de verzekeringstussenpersoon geen partij is bij de verzekeringsovereenkomst, zodat het aankomt op de vraag of deze als verzekeringstussenpersoon tekort is geschoten. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Een verzekeringstussenpersoon moet bij de uitoefening van zijn beroep tegenover zijn opdrachtgever de zorg te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht en deze zorg brengt mee dat hij aan de verzekeraar voldoende inlichtingen verschaft om deze ervan te weerhouden een beroep op verzwijging te doen. Indien de tussenpersoon niet over voldoende gegevens beschikt of er niet van mag uitgaan dat de gegevens waarover hij beschikt nog volledig en juist zijn, moet hij daarnaar bij zijn cliënt informeren; daarbij moet hij er rekening mee houden dat zijn cliënt niet spontaan zal overgaan tot vermelding van gegevens omtrent zijn strafrechtelijk verleden.

Hoger beroep
In hoger beroep oordeelt het hof dat verzekeringnemer zijn stelling dat de verzekeringstussenpersoon ‘alles wist’ van zijn strafrechtelijke verleden onvoldoende heeft onderbouwd. Hij heeft niet gesteld dat hij zijn verzekeringstussenpersoon op de hoogte heeft gesteld van het feit dat hij in 2003 veroordeeld voor schuldheling. Er moet daarom vanuit worden gegaan, aldus het hof, dat de verzekeringstussenpersoon enkel weet had van de vechtpartijen. Vaststaat dat hij deze informatie aan de gevolmachtigd agent van de verzekeraar heeft doorgegeven en dat dit geen beletsel vormde voor het in dekking nemen van de Mercedes. 

De reikwijdte van de zorgplicht van de assurantietussenpersoon is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij uitgangspunt is dat de tussenpersoon in het algemeen mag afgaan op de door zijn opdrachtgever verstrekte inlichtingen. Het hof acht van belang dat verzekeringnemer uit eigen beweging met de informatie over zijn strafrechtelijk verleden kwam, juist omdat hij wilde voorkomen dat hem nogmaals een verzekering zou worden opgezegd. Daaruit blijkt genoegzaam dat hij zich bewust was van het belang van het verstrekken van juiste en volledige informatie. De medewerker van de verzekeringstussenpersoon mocht er in de gegeven omstandigheden dan ook op vertrouwen dat verzekeringnemer hem volledig informeerde. Dat geldt temeer nu uit de verklaring van die medewerker blijkt dat hij na ontvangst van het door verzekeringnemer ondertekend aanvraagformulier contact met hem heeft gezocht en hem heeft gevraagd waarom hij de vraag naar zijn strafrechtelijk verleden niet had ingevuld. Deze vraag was in niet mis te verstane bewoordingen gesteld, zodat het verzekeringnemer duidelijk moet zijn geweest dat het vermogensdelict waarvoor hij in 2003 (derhalve binnen acht jaar voor het sluiten van de verzekeringsovereenkomst) was veroordeeld, relevant was voor de verzekeraar en door hem moest worden gemeld. Toen de medewerker hem benaderde omdat hij deze vraag niet had beantwoord, heeft verzekeringnemer desondanks geantwoord dat hij de medewerker al over zijn strafrechtelijke verleden had geïnformeerd, waarbij hij heeft verwezen naar de informatie die hij in hun eerdere gesprek had verstrekt. Derhalve valt niet in te zien waarom de medewerker aan de gegeven informatie had moeten twijfelen en had moeten doorvragen, dan wel nadere inlichtingen had moeten inwinnen. 

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt verzekeringnemer in de kosten van het geding in hoger beroep.
Door Mr. Dr. Cees de Jong

Terug naar boven

 

Van de wal in de sloot

HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2895, NJ 2014/429
Oorzakelijk verband als bedoeld in art. 6:98 BW leidt soms tot hoofdbrekers. Bijvoorbeeld wanneer na de schadetoebrengende gebeurtenis zich nog een gebeurtenis voordoet. De partij die voor de eerste schadetoebrengende gebeurtenis aansprakelijk is, ervaart het lang niet altijd als redelijk dat hij dan ook aansprakelijk is voor de tweede gebeurtenis. Vooral wanneer hij die niet zelf heeft veroorzaakt.

Deze zaak getuigt daarvan: werknemer Swinkels liep tijdens werkzaamheden voor zijn werkgever op 10 mei 2006 letsel op aan zijn rechtervoet doordat een collega hem met een vorkheftruck had aangereden. De werkgever heeft aansprakelijkheid – op grond van art. 7:658BW- voor de schade als gevolg van dit bedrijfsongeval jegens Swinkels erkend. Nadat het gips rondom de gebroken voet was verwijderd, heeft de Arboarts op 23 juni 2006 aangegeven dat Swinkels halve dagen zittend werk mocht gaan doen en na enkele weken, afhankelijk van de klachten, mocht uitbreiden in uren en daarbij geleidelijk zijn eigen werkzaamheden zou kunnen hervatten. Op 28 juni 2006 heeft Swinkels enige tijd op de vorkheftruck gewerkt. Eenmaal thuisgekomen die dag is hij naar eigen zeggen gestruikeld over een deurmat. Hij heeft daardoor ernstig knieletsel opgelopen. Swinkels vorderde van rechte te verklaren dat zijn werkgever aansprakelijk is voor alle gevolgen van het ongeval van 10 mei 2006. Daarbij stelde hij dat zijn voet op 28 juni 2006 nog niet volledig was genezen en dat hij door de werkzaamheden op de vorkheftruck op 28 juni 2006 met zijn voet is gaan slepen, met als direct gevolg dat hij bij thuiskomst over de deurmat is gestruikeld.

De werkgever betwistte dat hij aansprakelijk is voor het ongeval van de werknemer in diens huis. Daartoe voerde hij onder andere aan dat toerekening van de val van Swinkels thuis niet redelijk is gezien de aard van de schade en het ver verwijderede causaal verband.

De kantonrechter wees de vordering van Swinkels toe. Het hof wees de vordering af. Daarbij nam het hof in aanmerking dat de werkgever had gewezen op de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de gedraging (geen verwijt aan de werkgever voor de struikelpartij), de voorzienbaarheid of waarschijnlijkheid van de val mede gezien het tijdsverloop en ten slotte het ver verwijderede verband tussen het bedrijfsongeval en de struikelpartij(de lengte van de causale keten).

Het hof stelt voorop dat mag worden aangenomen dat Swinkels op 28 juni 2006 nog enige restverschijnselen had van zijn rechtervoet. Dan stelt het hof de retorische vraag of er condition sine qua non verband (voorwaarde zonder welke het gevolg niet zou intreden) moet worden aanvaard tussen de gevolgen van het bedrijfsongeval op 10 mei 2006 en het struikelen op 28 juni 2006 over de deurmat. Het hof zegt dat er weinig fantasie voor nodig is om aan te nemen dat een in zijn lopen enigszins gehinderde voetganger bij enige oneffenheid op zijn looppad eerder onderuit zal gaan dan iemand die kan beschikken over een gezond stel benen. In zoverre kan en mag worden aangenomen dat het letsel aan zijn rechtervoet en de daarmee gepaard gaande pijn door belasting van het rijden op een vorkheftruck in die ochtend op zijn minste ook hebben bijgedragen tot zijn val/struikelpartij, aldus het hof.

Toch rekent het hof in de zin van art. 6:98 BW niet toe, hoewel het hof zich realiseert dat het hier om letselschade gaat en dat artikel 7:658 BW een schuldaansprakelijkheid inhoudt. Het hof motiveert dit door drie omstandigheden:

► Het knieletsel staat in zeer ver verwijderd verband tot het oorspronkelijke letsel aan de voet. In die zin is de latere schade aan de knie niet als kenmerkend gevolg te beschouwen van het bedrijfsongeval.
► Het bedrijfsongeval noopte Swinkels niet om zich te bedienen van hulpmiddelen als bijvoorbeeld krukken. Het letsel van 28 juni 2006 is daar niet door veroorzaakt. Swinkels kon gewoon lopen.
► Swinkels kon zelf invloed uitoefenen op zijn thuissituatie en was met die situatie ook bekend. De aanwezigheid van de deurmat bij de voordeur is zo gewoon dat dit geen aanleiding geeft te veronderstellen dat hiermee een potentieel gevaarlijke maar niettemin voor Swinkels onvermijdbare situatie in het leven wordt geroepen. Enige voorzienbaarheid dat een dergelijk ongeval kan plaatsvinden, ligt niet voor de hand, anders dan de hiervoor genoemde ervaringsregel (‘weinig fantasie nog om ( …)’).

In cassatie klaagt Swinkels over tegenstrijdige en onbegrijpelijke overwegingen van het hof, zoals wel conditio sine qua non en toch geen oorzakelijk verband aannemen. Ook stelt Swinkels dat het hof art. 6:98 BW niet goed heeft begrepen.

De HR verwerpt de klacht dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 6:98 BW. Nadat het hof heeft vastgesteld dat er conditio sine qua non verband bestaat tussen het bedrijfsongeval van 10 mei 2006 en het latere knieletsel heeft het hof op de voet van art. 6:98 BW beoordeeld of de schade in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. Daarbij heeft het hof niet miskend at bij dit onderzoek alle omstandigheden van het geval moeten worden betrokken, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en van de schade. Hiertoe kunnen behoren de drie door het hof onderscheiden omstandigheden, zoals de vraag of een bepaald schadelijk gevolg van de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis naar ervaringsregels niet redelijkerwijs voorzienbaar is.

De klacht over de onbegrijpelijkheid vindt wel gehoor bij de HR. Het hof heeft immers aannemelijk geacht dat een in zijn lopen enigszins gehinderde voetganger bij enige oneffenheid eerder onderuit zal gaan dan iemand die kan beschikken over een gezond stel benen en dat de daarmee gepaard gaande pijn door belasting van het rijden op een vorkheftruck in die ochtend op zijn minste ook hebben bijgedragen aan de val/struikelpartij. Dan valt niet in te zien dat het door de val veroorzaakte knieletsel niet in oorzakelijk verband staat met het voetletsel.

Door Mr. R. Meelker

Terug naar boven

 

Gekantelde Trekker

Exoneratieclausule op terreinbord S&S 2015, 7 Rechtbank Rotterdam, 28 maart 2014
Dat het met de exoneratieclausule op het terreinbord ook anders kan, bewijst een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam die enkele maanden eerder was afgewezen door een andere rechter. Het betreft hier nota bene dezelfde vervoerder, maar wel een andere terminal.

De vrachtwagen rijdt het terrein op met een container die door de kraanmachinist van de terminal van de oplegger wordt getild. Omdat een twistlock niet loslaat, wordt ook de oplegger mee omhoog getrokken en de trekker kantelt met een forse schade van ruim 18.000 euro tot gevolg. Wederom spreekt de vervoerder de terminal aan op grond van onrechtmatige daad. 

Van belang in deze zaak is dat de tekst op het bord veel uitgebreider was:

‘Attentie. Eenieder die dit terrein, gebouwen, de kademuur en de daaraan afgemeerde schepen betreedt, aanvaardt de navolgende voorwaarden:
Men bevindt zich op bovengenoemde plaatsen met eventuele vervoermiddelen en/of goederen volledig op eigen risico. Voor schade en/of letsel toegebracht aan personen, vervoersmiddelen en goederen, hoe dan ook ontstaan, is de terminal niet aansprakelijk.’

De rechter zegt er het volgende van: doordat de chauffeur het terrein op is gereden, heeft de vervoerder aanvaard dat eventuele aan de vrachtwagen te berokken schade als gevolg van de bedrijfsactiviteiten op het terrein van de terminal, voor zijn eigen rekening zou komen. Op het terrein van de terminal vindt overslag van goederen plaats. Het hanteren van algemene voorwaarden door middel van plaatsen van borden op haventerreinen is algemeen gebruikelijk. De vervoerder als professioneel transportbedrijf wordt verondersteld daarmee bekend te zijn. De terminal kan aansprakelijkheid jegens bezoekers van zijn terrein in beginsel uitsluiten door middel van de tekst op het terreinbord.

Met andere woorden, de rechtbank stelt vast dat door het betreden van het terrein de vervoerder akkoord is gegaan met de voorwaarden waarop dat geschiedt, namelijk dat aansprakelijkheid voor schade aan het voertuig geheel wordt uitgesloten. Op deze manier komt er dus een soort betredingsovereenkomst tot stand tussen de terminal en de vervoerder waarin de terminal zijn aansprakelijkheid voor schade aan het voertuig uitsluit. Vervolgens moet de exoneratieclausule uitgelegd worden in die zin of het ook aansprakelijkheid uitsluit voor de onderhavige schade. Nu er zo’n uitgebreide clausule is gebruikt, oordeelt de rechter dat de bewoordingen mede duiden op het risico dat er schade ontstaat aan vervoermiddelen als gevolg van de werkzaamheden op de terminal. Tot slot moet de rechtbank nog nagaan of een beroep op een dergelijke vergaande exoneratieclausule mogelijk naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat is hier niet het geval nu er geen sprake is van grove schuld van de kraanmachinist en de terminal in casu geen gevaar zettende situatie op het terrein onnodig heeft laten voortbestaan.

Derhalve is in deze zaak de terminal niet aansprakelijk voor de schade aan het voertuig.

Ik ben van mening dat dit een juiste benadering is om de betekenis van de terreinborden die bij ieder haventerrein staan, toe te passen en de daarop voorkomende exoneratieclausule uit te leggen.
Door Prof. mr. M. H. Claringbould - De besproken jurisprudientie is afkomstig uit S&S (november 2014).

Terug naar boven

 

Macht der gewoonte

HR 16 januari 2015, ICLI:NL:HR:2015:83
Voordat de BOB-campagne door de overheid gevoerd werd, bestond al het lied ‘Glaasje op, laat je rijden’. De oorzaak van dit arrest bestaat eruit dat een autobestuurder de gewoonte had om met de auto naar de kroeg te gaan. Na het nuttigen van 15 tot 20 biertjes reed hij dan vervolgens weer naar huis. Als je in deze rubriek wordt vermeld is er meestal iets fout gegaan en zo ook in dit geval. De bestuurder veroorzaakte een ongeval waarvoor hij aansprakelijk is. De WAM-verzekeraar van zijn auto (TVM) heeft die schade aan de benadeelde vergoed en zoekt op de voet van art. 15 WAM verhaal op verzekerde. 

De toepasselijke voorwaarden van TVM bevatten geen alcoholclausule. Wel de volgende opzetclausule:
‘Van de verzekering is uitgesloten: opzet: de schade of het ongeval, welke met opzet, voorwaardelijk opzet of goedvinden van een verzekerde is veroorzaakt.’

Aangezien de aanrijding niet met opzet is veroorzaakt – daar was het gedrag van verzekerde niet op gericht – en evenmin sprake was van met goedvinden van verzekerde veroorzaakte schade, moest TVM zich bedienen van ‘voorwaardelijke opzet’. Hieronder wordt begrepen dat betrokkene willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat als gevolg van het hem verweten gedrag zich schade zou voordoen.

Bij de rechtbank had TVM succes met haar vordering, maar bij het hof volgde volledige afwijzing van de vordering. Het hof beargumenteerde de afwijzing als volgt: in de toepasselijke voorwaarden is voorwaardelijk opzet uitgesloten van dekking, maar de polisvoorwaarden bevatten geen zogenoemde alcoholclausule, waarin expliciet schade als gevolg van het rijden onder invloed van dekking is uitgesloten. Bij de beantwoording van de vraag of bij het ontbreken van een dergelijke clausule schade als gevolg van het rijden onder invloed van alcohol valt onder de uitsluiting van dekking als gevolg van voorwaardelijk opzet, is het uitgangspunt dat de Hoge Raad in zijn arrest van 13 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU3715, NL 2006/282, heeft geoordeeld at niet kan worden gezegd dat het algemene publiek dat een WAM-verzekering afsluit, geacht kan worden te weten, of uit voor ieder toegankelijke bronnen te weten kan komen, dat veelal in WAM-verzekeringen dekking is uitgesloten voor schade die is toegebracht door de verzekerde auto terwijl de bestuurder daarvan meer alcohol in zijn bloed had dan het wettelijk toegestane promillage (rov 3.14-3.15 van het hof).

Het hof vond dat de verzekerde van TVM daarom redelijkerwijs niet had hoeven te begrijpen dat de door hem veroorzaakte schade van de dekking onder de WAM-verzekering was uitgesloten. Derhalve komt TVM in dit geval geen beroep toe op de uitsluitingsclausule ter zake van voorwaardelijk opzet (rov 3.16 van het hof).

TVM stelde cassatie in. Daarbij klaagde TVM dat het hof had miskend dat er sprake is van voorwaardelijk opzet. TVM had daarvoor bij rechtbank en hof aangevoerd dat verzekerde aan de politie had verklaard dat het een jaar of drie zijn gewoonte was op donderdag- en vrijdagavond met de auto naar de kroeg in Oude Haske te gaan, dan tussen 15 en 20 biertjes te drinken en vervolgens met de auto terug te rijden naar zijn woonplaats. Het arrest van de HR van 13 januari 2006, waarop het hof zich beriep, kan hier niet (zonder meer) als uitgangspunt dienen.

De HR overwoog dat zijn arrest van 13 januari 2006 in de onderhavige zaak niet tot uitgangspunt kan dienen. Dat arrest had betrekking op de vraag of in die zaak de uitsluiting van dekking van schade ‘veroorzaakt terwijl de feitelijke bestuurder niet wettelijk bevoegd is het motorrijtuig te besturen ook het geval omvat waarin sprake was van rijden onder invloed van alcohol in strijd met art. 8van de wegenverkeerswet. De wettelijke bevoegdheid is in het geschil van TVM met haar verzekerde geen twistpunt.

In deze zaak van TVM is aan de orde of verzekerde bij de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst heeft moeten begrijpen dat door de opzetclausule in de voorwaarden van TVM van dekking werd uitgesloten schade als gevolg van de onderhavige gedragingen van verzekerde. De HR merkt op dat bij de uitleg van dit beding de maatstaven gelden van het arrest DSM-Fox (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493). Vervolgens wijst de HR op de contra-preferentumregel van art. 6:238 lid 2BW, indien verzekerde de verzekeringsovereenkomst is aangegaan als consument in de zin van afdeling 6.5.3 BW. De contra-preferentumregel bepaalt kort gezegd dat bij twijfel over de betekenis van de clausule de voor de consument meest gunstige uitleg moet worden toegepast.

Het beroep van het hof op het arrest van de HR van 13 januari 2006 volstaat niet om te oordelen dat TVM geen beroep toekomst op de uitsluitingsclausule, nu het hof niet is ingegaan op de door TVM gesteld concrete omstandigheden (lees: de gewoonte van verzekerde) van het geval. De HR heeft de zaak verwezen naar het hof Den Bosch ter verdere afdoening.

Door Mr. R. Meelker

Terug naar boven

 

Criminele oplichtingstruc

CMR; rembours?; valse cheques S&S 2015, 24 Rechtsbank ’s-Hertogenbosch 24 augustus 2011
Tot slot van deze jurisprudentiebespreking nog even een uitsmijter waarbij Italiaanse ontvangers een handige wisseltruc hebben uitgevoerd. Het gaat over het CMR-vervoer van twee partijen autobanden naar Italië door Willems. Met betrekking tot de betaling van de autobanden is de door de autobandenhandelaar beoogde gang van zaken dat de koper voor aflevering een bankcheque faxt ter goedkeuring. De chauffeur arriveert op het afleveradres in Italië en ontvangt een cheque ter warde van 92.000 euro; de chauffeur neemt contact op met de autobandenhandelaar om te vragen of de hem aangeboden cheque de eerder in kopie toegefaxte en goedgekeurde bankcheque is. De chauffeur krijgt groen licht en levert de autobanden af. De ontvanger doet de cheque in een envelop en plakt deze dicht. Naderhand blijkt dat de envelop is verwisseld en in de envelop die de chauffeur meeneemt zit een cheque van 350 euro. De autobandenhandelaar vordert een bedrag van ruim 92.000 euro en vervoerder Willems die in reconventie betaling van vrachtnota’s vordert ter hoogte van ruim 43.000 euro.

De rechtbank zegt er het volgende van: de vervoerovereenkomsten zijn neergelegd in de CMR-vrachtbrieven die geen remboursbeding vermelden. Op grond van de niet-vermelding van een remboursbeding in de vrachtbrieven geldt dat dat beding geen deel uitmaakt van de door de chauffeur aanvaarde vervoeropdracht. Derhalve kan de vordering niet gegrond worden op art. 21 CMR dat inning van het rembours voorschrijft. Maar, zo vervolgt de rechtbank, ook al is hier geen rembours in de zin van de vervoerovereenkomst tot stand gekomen toch kan de wijze waarop de chauffeur de feitelijke instructies over de inning van de koopsom heeft opgevolgd jegens de autobandenhandelaar wel onrechtmatig zijn. De rechtbank kijkt vervolgens of die chauffeur hier onrechtmatig heeft gehandeld. Daarvan is nu juist geen sprake aangezien de chauffeur de instructies in beginsel nauwkeurig heeft opgevolgd. Alleen was hij voor een kort moment afgeleid toen de ontvanger de cheque in een envelop deed. Het is evident dat de chauffeur het slachtoffer is geworden van een criminiele oplichtings- en wisseltruc. Hij meende en mocht menen dat de ‘goede’ cheque onder zijn ogen voor hem in een envelop werd gedaan. Hij hoefde daarbij niet op een dergelijke wisseltruc bedacht te zijn. De chauffeur hoefde op grond van de aanvaardbaarheid door de autobandenhandelaar van deze ontvanger niet meer dan normale voorzichtigheid in acht te nemen. Derhalve wordt de vordering van de autobandenhandelaar jegens de vervoerder afgewezen. De vrachtvordering van de vervoerder jegens de autobandenhandelaar wordt wel toegewezen.
Door Prof. Mr. M.H. Claringbould - De besproken jurisprudentie is afkomstig uit S&S (februari 2015). 

Terug naar boven

 

Heeft u vragen, wilt u meer informatie of advies? Neem contact met ons op of laat uw gegevens achter en wij bellen u zo spoedig mogelijk terug.

 Stopel op Facebook
► Stopel op Twitter

Stopel Bedrijfsverzekeringen B.V.     Kwaliteit is een keuze.

/sites/default/files/images/agness.jpg
/sites/default/files/images/albertje.jpg
/sites/default/files/images/arjan.jpg
/sites/default/files/images/ellen2.jpg
/sites/default/files/images/dian.jpg
/sites/default/files/images/esther.jpg
/sites/default/files/images/frank.jpg
/sites/default/files/images/gerdia.jpg
/sites/default/files/images/gertjan.jpg
/sites/default/files/images/jaque.jpg
/sites/default/files/images/ronald.jpg
/sites/default/files/images/ronny.jpg
/sites/default/files/images/sylvia.jpg
/sites/default/files/images/tony.jpg
/sites/default/files/images/jon2.jpg
/sites/default/files/images/henri.jpg
/sites/default/files/images/veronique.jpg