JURISPRUDENTIE CASES

Jurisprudentie Cases

Dit artikel biedt een selectie van (uittreksels van) nationale rechterlijke uitspraken op het gebied van verzekeringen. In dit geval worden cases van zorgplicht, schadeverzekeringen en het KIFID behandeld.

Inhoudsopgave:
Case 1: Zorgplicht - Wat is relevant bij voldoen aan mededelingsplicht?
Case 2: Kifid - Rechtstreeks ongevalsgevolg
Case 3: Schadeverzekeringen - Na-risico
Case 4: Zorgplicht - Had tussenpersoon moeten doorvragen?

 

Wat is relevant bij voldoen aan mededelingsplicht?

Rechtbank Oost-Brabant 30 maart 2016, Nr. eclI:Nl:RBOBR:2016:3567

In deze zaak spelen X, een analfabeet als aspirantverzekeringnemer, en diens tussenpersoon een hoofdrol. Kan het de tussenpersoon worden verweten dat hij een eigen inschatting heeft gemaakt van het strafrechtelijk verleden van de aspirant-verzekeringnemer bij het invullen van het aanvraagformulier voor een opstal- en inboedelverzekering? Ja, dat kan, aldus de rechtbank. De casus was als volgt.

Begin 2013 heeft de tussenpersoon een bezoek gebracht aan de recreatiewoning van X. X wilde een opstal- en inboedelverzekering afsluiten voor diens recreatiewoning en de daarin aanwezige zaken. Het was de tussenpersoon bekend dat X analfabeet is. De tussenpersoon heeft de gebruikelijke vragen bij het sluiten van een verzekeringspolis aan X gesteld. Een van die vragen had betrekking op het strafrechtelijke verleden van X. De vraag die door de tussenpersoon aan X werd voorgelegd was of hij in de laatste acht jaar als verdachte of ter uitvoering van een opgelegde (straf)maatregel in aanraking is geweest met politie of justitie. X antwoordde daarop dat er een politie-inval is geweest bij zijn dochter in verband met een hennepkwekerij. X dronk daar op dat moment een kopje koffie. Ook is X toen door de politie meegenomen naar het politiebureau om te worden ondervraagd.

De tussenpersoon had tijdens het bezoek aan X de door hem gegeven antwoorden op de vragen genoteerd in zijn schrijfblok. Op het kantoor van de tussenpersoon is een digitaal aanvraagformulier door de tussenpersoon ingevuld. De tijdens het gesprek gemaakte aantekeningen heeft de tussenpersoon toen weggegooid. Op de vraag naar het strafrechtelijk verleden heeft de tussenpersoon een ontkennend antwoord ingevuld. Het aanvraagformulier wordt ter controle en ter ondertekening door de tussenpersoon aan X toegestuurd. X heeft het aanvraagformulier ondertekend geretourneerd. De verzekeringen zijn daarop tot stand gekomen. Op een kwaad moment is er in september 2013 brand uitgebroken in de recreatiewoning. Zowel de opstal als de inboedel werden daardoor volledig in de as gelegd. Uit onderzoek door de verzekeraar kwam naar voren dat X in het verleden wel degelijk met politie en justitie in aanraking is geweest. Gebleken is dat X door de politierechter is vrijgesproken van overtreding van de Opiumwet. De verzekeraar heeft naar aanleiding van deze bevindingen een beroep gedaan op schending van de mededelingsplicht en verder geweigerd dekking onder de polis te verlenen. X wendt zich daarop tot zijn tussenpersoon die hij verwijt niet te hebben voldaan aan de op hem rustende zorgplicht.

De rechtbank legt de handelwijze van de tussenpersoon langs de maatstaf die geldt voor de beoordeling of een tussenpersoon heeft voldaan aan diens zorgplicht. Beoordeeld moet worden of de tussenpersoon heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend tussenpersoon had mogen worden verwacht. Om te voldoen aan die maatstaf dient de tussenpersoon aan de verzekeraar voldoende inlichtingen te verschaffen om te voorkomen dat de verzekeraar een beroep kan doen op schending van de mededelingsplicht. De tussenpersoon dient zich in zo’n geval proactief op te stellen. Hij mag er niet zomaar van uitgaan dat zijn dossier op orde is, maar hij dient informatie bij zijn klant, de aspirant-verzekeringnemer, in te winnen. De tussenpersoon dient daarbij in het achterhoofd te houden dat zijn klant niet spontaan kond zal doen van diens strafrechtelijke verleden. Toegepast op de casus is de rechtbank van oordeel dat de tussenpersoon tijdens het bezoek aan X had moeten doorvragen over de inval van de politie in de woning van diens dochter. Wat was er toen exact gebeurd? Wat was de rol van X daarin? En is er vervolging ingesteld en heeft dat geresulteerd in een veroordeling of in vrijspraak? Nu de tussenpersoon dergelijke vragen niet aan X heeft gesteld en op eigen houtje de afweging heeft gemaakt dat de politie-inval in de woning van de dochter van X voor de verzekeraar niet relevant was, is de tussenpersoon tekortgeschoten in zijn zorgplicht jegens X. Volgens de rechtbank had de tussenpersoon met de verzekeraar moeten afstemmen of de door X naar voren gebrachte feiten voor de verzekeraar van belang waren. De rechtbank rekent het de tussenpersoon ook aan dat deze aan X al tijdens het gesprek heeft aangegeven dat de politie-inval volgens hem niet relevant was voor de aanvraag van de verzekering. Indien en voor zover X dus al in staat was geweest het aanvraagformulier op juistheid te controleren, X is immers analfabeet, dan nog had van hem niet verwacht hoeven worden dat hij het ontkennende antwoord op de vraag naar het strafrechtelijke verleden had moeten corrigeren. De rechtbank vindt de afhankelijkheid van X van de tussenpersoon als gevolg van zijn analfabetisme een aan de tussenpersoon toe te rekenen verzwarende omstandigheid. Het feit dat de tussenpersoon zijn aantekeningen van het gesprek met X had vernietigd nadat hij het aanvraagformulier elektronisch had ingevuld, wordt hem door de rechtbank eveneens aangerekend. Er valt daardoor immers niet meer te achterhalen wat er exact is besproken tijdens het onderhoud van de tussenpersoon met X. De tussenpersoon verweert zich nog met een beroep op het ontbreken van causaal verband tussen de gemaakte fout en de door X geleden schade. Indien de vraag naar het strafrechtelijk verleden wel bevestigend beantwoord zou zijn, dan was er geen verzekering tot stand gekomen en had X ook geen mogelijkheden gehad zich elders te verzekeren. Volgens de tussenpersoon zou X dan in dezelfde positie hebben verkeerd als thans, namelijk een afgebrande woning zonder verzekeringsdekking. De rechtbank gaat in dit verweer niet mee. In een enigszins cryptisch geformuleerde rechtsoverweging stelt de rechter dat X bij die stand van zaken zijn verdere handelen daarop had kunnen afstemmen. Niet uitgesloten is dat de haalbaarheid van het causaliteitsverweer in hoger beroep nog eens nader getoetst zou (moeten) kunnen worden.
Door Mr. C. (Coen) Fledderus, de auteur is advocaat en partner bij Polis Advocaten te Den Haag.
Terug naar boven

 

Rechtstreeks ongevalsgevolg?

Uitspraak geschillencommissie financiële Dienstverlening 17 mei 2016, nr. 2016-218

Consument heeft bij Verzekeraar een ongevallenverzekering afgesloten. Over de definitie van het begrip ‘ongeval’ bepaalt de polis het volgende:

’Ongeval: een plotselinge, ongewilde, van buiten komende, onmiddellijke gewelddadige inwerking op het lichaam van de verzekerde, welke rechtstreeks en uitsluitend oorzaak is van objectief geneeskundig vast te stellen lichamelijk letsel, dat rechtstreeks de dood of blijvende invaliditeit tot gevolg heeft.’

Als gevolg van meerdere ongevallen in 2007, 2008 en 2009 heeft Consument klachten aan de linkerknie ontwikkeld. Van Verzekeraar ontving zij hierop een uitkering op basis van 8 procent functieverlies aan het linkerbeen. De klachten van Consument persisteren en als gevolg van een hierop volgende injectie in de knie, is deze gaan ontsteken. Consument meent dat de verergering van de klachten rechtstreeks aan het ongeval is toe te rekenen en vordert uitkering op basis van 50 procent van het functieverlies van het been, dan wel op basis van 35 procent zonder finale kwijting.

Verzekeraar betwist dit en stelt dat het knieprobleem is toe te rekenen aan een brace die Consument droeg vanwege een nieuwe behandeling voor spataderen. Verzekeraar stelt zich op het standpunt dat dit niet kan worden aangemerkt als een rechtstreeks en uitsluitend ongevalsgevolg.

De Commissie overweegt dat Consument met overlegging van rapportages voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de in 2011 ontwikkelde knieklachten het gevolg zijn van de eerdere ongevallen. Verzekeraar heeft deze stelling van Consument onvoldoende betwist en – ondanks het verzoek hiertoe van het Kifi d – geen nadere informatie beschikbaar gesteld over de kennelijk door Consument genoten nieuwe spataderbehandeling. Als gevolg hiervan concludeert de Commissie dat de verergering van de knieklachten niet het gevolg is van die nieuwe behandeling, maar van het ongeval. Voor toekenning van een uitkering op basis van 50 procent functieverlies aan het been ziet de Commissie echter geen aanleiding. Wel kent de Commissie een uitkering toe op basis van 35 procent functieverlies van het been, inclusief toekomstrisico en aldus tegen finale kwijting.
Door: Mr. A.C. (Sanne) van der Salm. De auteur is advocate bij Ekelmans & Meijer Advocaten te Den Haag.
Terug naar boven

 

Na-risico

Hof ’s-Hertogenbosch 29 september 2015 eclI:Nl:gHHse:2015:3757 vR 2016/80 (Zlm-X)

In deze procedure gaat het om een vordering in verband met het zogeheten na-risico van art. 13 lid 4 WAM. Dit artikel bepaalt kort samengevat dat nadat de verzekeraar aan de Rijksdienst Wegverkeer het kenteken heeft afgemeld, hij nog gedurende 16 dagen nadien het risico blijft dragen voor schade veroorzaakt door het afgemelde en bij hem verzekerde motorrijtuig. Uiteraard houdt het na-risico op te bestaan voor die verzekeraar wanneer het motorrijtuig bij een andere verzekeraar in dekking wordt genomen, dan wel de 16-dagentermijn is verstreken. Het na-risico past in de strekking van de WAM (W(et) A(ansprakelijkheidsverzekering) M(otorrijtuigen)): benadeelden worden beschermd tegen bijvoorbeeld nonchalance van de verzekeringnemer of trage administratieve processen van verzekeraars, doordat zij nog gedurende maximaal 16 dagen terechtkunnen bij de verzekeraar die de verzekering op het kenteken heeft afgemeld.

De feiten in deze zaak waren dat op 28 juni 2011 een Opel Astra met kenteken G-CG was overgeschreven op naam van geïntimeerde. De Opel was conform de WAM bij ZLM tot 29 juni 2011 verzekerd geweest door de voormalige kentekenhouder. Op 2 juli 2011 was de Opel betrokken bij een aanrijding. De Opel werd op 2 juli 2011 bestuurd door de toenmalige relatie van geïntimeerde. Geïntimeerde had de Opel op 2 juli 2011 niet verzekerd krachtens de WAM.

ZLM heeft op grond van het na-risico van art. 13 WAM schade vergoed aan benadeelden. Van één benadeelde had ZLM diens vordering overgenomen tegen cessie.

ZLM vorderde wat hij aan de benadeelde had betaald terug van zowel geïntimeerde als van haar relatie die ten tijde van het ongeval de Opel bestuurde.

De rechtbank wees de vordering op de bestuurder toe en die tegen geïntimeerde af. De rechtbank wees die vordering af omdat:

‘kort gezegd, de verzekeringsplicht van art. 2 lid 1 WAM niet strekt tot bescherming van een verzekeraar als ZLM.’

Voor zover de vordering tegen geïntimeerde door ZLM was gegrond op de stelling dat zij als kentekenhouder (risico)aansprakelijk zou zijn voor de schade, is de vordering afgewezen. Omdat in zijn algemeenheid, aldus de rechtbank, niet kan worden aanvaard dat een eigenaar te allen tijde (risico)aansprakelijk is voor schade die is ontstaan door zaken die zijn eigendom zijn. ZLM stelde hoger beroep in en voerde onder andere aan dat hij op grond van de akte van cessie een rechtverkrijgende is van iemand die moet worden beschouwd als benadeelde in de zin van de WAM. Refererend aan Benelux Gerechtshof 16 april 1992, NJ 1992/685 achtte het hof dit standpunt van ZLM juist. Het hof oordeelde dat gelet op dit Benelux-arrest het ervoor:

‘moet worden gehouden dat onder benadeelde wordt verstaan een ieder die schade heeft geleden welke grond oplevert voor toepassing van de WAM, van welke aard die schade ook is, en dat niet alleen eronder valt een persoon die rechtstreeks letsel heeft opgelopen bij het ongeval, doch een ieder die krachtens de toepasselijke wet hetzij uit eigen hoofde, hetzij uit hoofde van zijn betrekking tot het slachtoffer, beroep kan doen op een recht.’

Hiermee was de vordering nog niet toewijsbaar, want er moet eerst een regel worden gevonden die maakt dat geïntimeerde aansprakelijk is ten opzichte van de benadeelde. De WAM bevat niet een dergelijke bepaling, aldus het hof.

Volgens het hof was ZLM kennelijk van mening dat er een algemene norm bestaat, inhoudende dat een eigenaar/kentekenhouder die zijn motorrijtuig niet heeft verzekerd reeds daarmee een onrechtmatige daad pleegt, die met zich brengt dat hij kan worden aangesproken. ZLM had ook gesteld dat er een meer specifieke norm bestaat. Dat is de norm dat een kentekenhouder ten opzichte van de verzekeringsmaatschappij die het na-risico moet dekken een wettelijke verplichting heeft om een auto te verzekeren tegen wettelijke aansprakelijkheid.

Het hof oordeelde dat bij een ieder die een rijbewijs heeft, bekend mag worden verondersteld dat de kentekenhouder een wettelijke verplichting heeft om een auto tegen wettelijke aansprakelijkheid te verzekeren. Geïntimeerde had vermeld dat de auto op haar naam stond en dat zij daardoor verantwoordelijk was voor de verzekering. Het hof acht van algemene bekendheid bij een ieder die een rijbewijs heeft, dat bij wet het zogeheten na-risico is verzekerd.

Het hof was vanwege het voorgaande van oordeel dat geïntimeerde door het niet afsluiten van een WAM-verzekering, heeft gehandeld in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid die geïntimeerde betaamt ten opzichte van ZLM. Doordat geïntimeerde immers een wettelijke verplichting om een verzekering af te sluiten niet nakomt, is een derde, ZLM, krachtens de wet verplicht schade te vergoeden, terwijl de bij ZLM verzekerde kentekenhouder geen kentekenhouder meer is. Het feit dat art. 15 WAM de verzekeraar in een dergelijk geval de mogelijkheid van verhaal op een ander geeft, sluit niet uit dat de kentekenhouder ook aansprakelijk kan zijn op grond van art. 6:162 BW, aldus het hof.

Het hof voegde toe dat alhoewel de strekking van de WAM is om zowel verkeersslachtoffers als benadeelden zoveel mogelijk hun schade te laten verkrijgen, dit niet uitsluit dat ook de verzekeraar in een geval als dit beroep kan doen op schending van de verzekeringsplicht:

‘Wat dat betreft is de WAM een bouwwerk waarin meerdere belangen zijn vervlochten en kan honorering van een vordering als de onderhavige de financiële positie van een verzekeraar als ZLM verbeteren, waarmee ook de belangen van het verkeersslachtoffer zijn gediend’, aldus het hof.

Geïntimeerde had nog aangevoerd dat de bestuurder de Opel zonder haar toestemming had meegenomen. Het hof achtte dat niet van belang, omdat het niet verzekeren van de auto immers al als onrechtmatig was gekwalificeerd ten opzichte van ZLM.

Geïntimeerde kreeg nog een tik op de vingers van het hof: van een kentekenhouder die de auto niet krachtens de WAM heeft verzekerd, mag worden verwacht dat zij maatregelen heeft genomen die voorkomen dat iemand met de auto aan het verkeer gaat deelnemen, door bijvoorbeeld de autosleutels onder zich te houden. Daarvan was niet gebleken.

De vorderingen van ZLM werden in hoger beroep toegewezen.
Door: Mr. R. (Rob) Meelker. De auteur is advocaat bij Marree en Dijxhoorn Advocaten te Amersfoort.
Terug naar boven

 

Had tussenpersoon moeten doorvragen?

Rechtbank Zeeland-west Brabant 13 april 2016, eclI:Nl:RBZwB:2016:2293

Er zijn de afgelopen weken niet veel uitspraken gedaan, waar algemene lessen uit getrokken kunnen worden voor de praktijk. Deze zaak ging om een beperkt financieel belang, maar behandelde wel de voor de praktijk relevante vraag in hoeverre een assurantietussenpersoon moet doorvragen over informatie die hij van zijn klant krijgt. Centrale vraag in de procedure was of de inboedel die een zoon in een garage had opgeslagen gedekt was onder de inboedelverzekering van zijn moeder. Wat was er gebeurd? In de zomer van 2013 is de zoon, toen 27 jaar, met zijn moeder naar het kantoor van de assurantietussenpersoon van de moeder gegaan. Daarbij heeft hij de vraag gesteld of hij de inboedel kon verzekeren die hij in een garagebox had opgeslagen. Het ging onder meer om een hengelsportuitrusting en een waterscooter. De jongen liet weten dat hij al geprobeerd had de inhoud van de garage zelfstandig te verzekeren, maar dat hij daarin niet was geslaagd. Hij vertelde de tussenpersoon dat hij weer bij zijn moeder ging inwonen vanwege een verbroken relatie en vanwege de zorg die hij nodig had in verband met een knieoperatie. De tussenpersoon heeft voorgesteld dat de goederen meeverzekerd zouden kunnen worden op de inboedelverzekering van de moeder, als hij bij haar inwoonde. Dat kon niet op haar bestaande verzekering. Daarom heeft zij een nieuwe verzekering aangevraagd bij ASR. Deze verzekering bood ook dekking voor goederen, opgeslagen op een ander adres. De polisvoorwaarden bepaalden dat als verzekerde werd aangemerkt: de verzekeringnemer (in dit geval de moeder) en iedereen met wie zij in een duurzaam gezinsverband samenwoont.

In januari 2014 is ingebroken in de garagebox. Daarbij zijn goederen, waaronder zijn complete hengelsportuitrusting en de waterscooter, weggenomen. Na melding van de schade heeft ASR onderzoek verricht. Daarbij is gebleken dat de zoon niet op het adres van zijn moeder stond ingeschreven, maar op een ander adres, waar hij feitelijk woonde voordat hij bij zijn moeder introk. Het verblijf bij zijn moeder bleek slechts tijdelijk te zijn, zo bevestigde de zoon. ASR heeft in verband daarmee dekking geweigerd.

De zoon heeft vervolgens de tussenpersoon aansprakelijk gesteld. Volgens hem had deze zijn zorgplicht geschonden, door hem er niet op te wijzen dat het voor de dekking relevant was of hij duurzaam of tijdelijk bij zijn moeder was ingetrokken. De zoon heeft erkend dat hij de tussenpersoon niet verteld heeft dat hij ingeschreven stond op een ander adres. Hij wist niet dat dat relevant was en de tussenpersoon heeft er ook niet naar gevraagd. Dat had de tussenpersoon volgens hem wel moeten doen. Temeer, omdat de zoon op dat moment op krukken liep vanwege de operatie. Op grond daarvan had de tussenpersoon er volgens de zoon op verdacht moeten zijn dat de inwoning slechts tijdelijk was in verband met de benodigde zorg.

De tussenpersoon betwist dat hij zijn zorgplicht heeft geschonden. Hij stelt dat hij met de zoon en de moeder besproken heeft dat de goederen alleen gedekt zijn op de verzekering van de moeder omdat de zoon bij haar inwoonde. Volgens de tussenpersoon had het op de weg van de zoon gelegen om te melden dat deze inwoning slechts tijdelijk was.

De rechtbank overweegt dat de tussenpersoon op de hoogte geweest moet zijn met de omschrijving in de polisvoorwaarden van de kring van verzekerden. En dus moet hebben geweten dat er alleen dekking is als sprake is van duurzaam samenwonen. In de gegeven omstandigheden mocht de tussenpersoon er niet zonder meer van uitgaan dat aan die voorwaarde was voldaan en had hij nadere vragen moeten stellen aan de zoon om zich daarvan te vergewissen. De rechtbank acht daarbij van belang dat het gelet op de omstandigheden niet vanzelfsprekend was dat de inwoning bij de moeder kon worden aangemerkt als duurzaam samenwonend in de zin van de voorwaarden. Het ging immers om een zoon van (toen) 27 jaar, die al langere tijd zelfstandig elders had gewoond en die vanwege een knieoperatie en een verbroken relatie weer bij zijn moeder was ingetrokken. Door desondanks geen nadere vragen te stellen over de woonsituatie van de zoon, is de tussenpersoon volgens de rechtbank tekortgeschoten in de op hem rustende zorgplicht ten opzichte van de zoon en zijn moeder.

De tussenpersoon heeft zich verder verweerd met de stelling dat causaal verband ontbreekt. Want als de tussenpersoon had geweten dat de zoon slechts tijdelijk bij zijn moeder inwoonde, dan had hij voor de goederen in de garage in het geheel geen dekking kunnen krijgen. Die stelling wordt door de rechtbank verworpen. Als de zoon geweten had dat hij in de huidige situatie geen dekking had, had hij maatregelen kunnen treff en. Zoals het in overeenstemming brengen van zijn inschrijving bij de gemeente met het adres waar hij op dat moment verbleef. Of het opslaan van de goederen op een andere plek.

De rechtbank neemt echter wel aan dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van de zoon. Hij heeft er immers zelf mede voor gezorgd dat er onduidelijkheid was over zijn woonsituatie en het feit dat de tussenpersoon daarover geen volledige informatie had bij het afsluiten van de verzekering. Want hij is zelf langere tijd ingeschreven gebleven op een ander adres dan waar hij in die periode feitelijk woonde. Volgens de rechtbank had hij moeten begrijpen dat het van belang kon zijn om te melden dat hij weliswaar tijdelijk bij zijn moeder inwoonde, maar dat hij officieel nog op een ander adres woonde en stond ingeschreven. De zoon had immers zelf al ondervonden dat hij de spullen in de garage niet zelfstandig kon verzekeren. En van de tussenpersoon had hij gehoord dat hij de spullen alleen kon meeverzekeren op de verzekering van zijn moeder, omdat hij bij haar inwoonde. Omdat de tussenpersoon handelde in de uitoefening van een beroep acht de rechtbank de op hem rustende verantwoordelijkheid groter dan die van de zoon. De rechtbank veroordeelt de tussenpersoon om  tweederde van de schade te vergoeden.
Door Mr. R. (Robin) van Beem. De auteur is advocaat en partner bij Van Beem de Jong Advocaten te Den Haag.
Terug naar boven

 

Deze cases zijn afkomstig uit de Beursbengel, een toonaangevend verzekeringstechnisch vakblad voor de verzekeringsprofessional. De Beursbengel is een uitgave van NIBE-SVV, gerenommeerd opleidingsinstituut voor het bank-, verzekerings- en effectenbedrijf.

________________________________________________________________________________
Heeft u vragen, wilt u meer informatie of advies? Neem contact met ons op of laat uw gegevens achter en wij bellen u zo spoedig mogelijk terug.

 Stopel op Facebook
► Stopel op Twitter

Stopel Bedrijfsverzekeringen B.V.     Kwaliteit is een keuze.

/sites/default/files/images/agness.jpg
/sites/default/files/images/albertje.jpg
/sites/default/files/images/arjan.jpg
/sites/default/files/images/ellen2.jpg
/sites/default/files/images/dian.jpg
/sites/default/files/images/esther.jpg
/sites/default/files/images/frank.jpg
/sites/default/files/images/gerdia.jpg
/sites/default/files/images/gertjan.jpg
/sites/default/files/images/jaque.jpg
/sites/default/files/images/ronald.jpg
/sites/default/files/images/ronny.jpg
/sites/default/files/images/sylvia.jpg
/sites/default/files/images/tony.jpg
/sites/default/files/images/jon2.jpg
/sites/default/files/images/henri.jpg
/sites/default/files/images/veronique.jpg